Ben jij oplossingsgericht? Dan wordt innoveren moeilijk!

Vaak prijzen we onszelf om onze proactieve, daadkrachtige aanpak. Met onze oplossingsgerichtheid worden problemen voorkomen voordat ze de kop opsteken. We ondernemen direct actie zodat we weer door kunnen met waar we mee bezig waren. Oftewel: puinruimen. En dat heeft niets te maken met innoveren.

Onze oplossingsgerichtheid is dus niet gelijk aan de kwaliteit of mate waarin we innoveren. Een probleemdefinitie van onvoldoende kwaliteit kan leiden tot extra of onnodige kosten, een ‘oplossing’ die het probleem niet oplost of een niet optimale implementatie van een oplossing. Daarom is het inzoomen op het probleem extreem belangrijk.

Maar we zijn liever niet bezig met problemen. Dat is logisch, want problemen zijn vervelend, ze vormen obstakels op de weg naar succes en er zijn vaak personen of groepen met soms hoogoplopende frustraties. Bovendien kan een probleem zorgen voor een gevoel van machteloosheid (“Wat moeten we daarmee dan?”) terwijl een oplossing voelt als een manier om te verbeteren, presteren of om vooruitgang (“Weet je wat we zouden moeten doen..?”) te boeken. Problemen zijn dus één berg ellende waar we liever niet te diep induiken.

Toch zijn problemen cruciaal in het innovatieproces. Dat lijkt een open deur omdat je ‘natuurlijk’ een probleem moet hebben om een (innovatieve) oplossing te hebben. Maar vaak zijn problemen niet zo eenvoudig als het lijkt. Bedrijven of startups die moeite hebben zich te onderscheiden of te vaak horen “Dat wordt al best gedaan toch?”, hebben waarschijnlijk het probleem niet goed genoeg onderzocht om tot specifieke benefits te komen. Hetzelfde geldt voor bedrijven of startups die claimen dat er geen concurrentie is: er is altijd concurrentie. Als je claimt dat er geen concurrentie is, snap je het probleem niet of heb je probleem niet diepgaand genoeg onderzocht.

Veel voorkomende problemen die innovatie in de weg staan

Vaak zijn problemen te breed geformuleerd en vindt er geen diepgaande definitie van de afzonderlijke probleemelementen plaats.

Voorbeeld slechte probleemstelling: “We moeten analfabete volwassenen leren lezen.”

Mogelijke oplossing: “Leescursus gebaseerd op de verschillende leesniveaus binnen de basisscholen, met onderwerpen die aansluiten bij interesses van de individuele deelnemers”.

Klinkt als een oplossing waarover is nagedacht. Verschillende leesniveaus, gebaseerd op bepaalde kwaliteitseisen (basisschool), afgestemd op de interesses van de volwassenen zodat ze niet aap-noot-mies opnieuw moeten leren. En wat doet de concurrentie? Die doet het online, want dan is het ook nog gemakkelijk toegankelijk, anoniem, interactief, bereikbaar vanuit thuis, misschien extra ondersteuning met beeld, enzovoorts. I

Maar als je goed doorvraagt naar het probleem kan er een heel andere probleem naar voren komen en ook een andere oplossing. Bijvoorbeeld:

  • Waarom is het überhaupt belangrijk dat analfabeten leren lezen?
    • Zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij.
      • Maar ze redden zich nu toch ook al? Zelfs zonder (alles) te kunnen lezen!
    • Opnieuw: waarom is het belangrijk dat analfabeten leren lezen?
      • Zodat ze beter kunnen meedoen in de maatschappij.
        • Wat houdt beter dan in?
          • Meer informatie of entertainment kunnen ervaren
          • Mogelijk een beter gevoel voor (een nieuwe) cultuur ontwikkelen
          • Zelfstandiger opereren / minder hulpafhankelijk zijn
          • Met meer zelfvertrouwen ‘op pad’
          • Minder schaamte en meer uiting in hun sociale leven

Denk nu eens na over de probleemstelling?

Eigenlijk is het probleem dat er veel volwassenen zijn die een verbinding met de maatschappij missen op sociaal en cultureel vlak, waardoor ze zichzelf minder goed kunnen en durven uitdrukken. Is een leescursus dan nog wel de juiste oplossing?

Natuurlijk is dit een versimpeld voorbeeld maar zelfs hier proef je al hoe verschillende de uitkomsten kunnen zijn. En natuurlijk is het zo dat wanneer je voor ‘de juiste’ (die bestaat niet) probleemidentificatie een oplossing ontwikkelt, er nog steeds moet worden geschaafd aan het idee en dat er zaken naar boven komen die je niet had bedacht. Maar dat is productontwikkeling.

Welke vragen moet je dan stellen?

Enerzijds gaat het om definitie vragen zoals hierboven: “wat is ‘beter’”? Anderzijds om het doorvragen. Eén keer vragen is onvoldoende: stel dezelfde vraag steeds opnieuw. Probeer continue het ‘ultieme waarom’ naar boven te krijgen. Als je dat weet te achterhalen heb je de middelen om een goede probleemstelling te ontwikkelen. Een goede probleemstelling bakent af: “iedereen een mooie auto” is te breed: voor veel mensen helemaal geen extra kosten en in grote steden hebben mensen vaak geen plek om een auto te parkeren. Een goede probleemstelling is specifiek: “Te weinig mensen hebben..” is onduidelijk. Hoeveel is ‘te weinig’ precies? Probeer het volgende te implementeren: Wie, Wat, Waarom, Wanneer en Hoe?

Als dat lukt heb je een goede probleemstelling om een relevante, effectieve en duurzame innovatie te ontwikkelen.

Image dankzij Gratisography